Inleiding

Het strijdtoneel

De kruistocht tegen de katharen, ook wel de Albigenzer Kruistocht genoemd, speelde zich af in de 13e eeuw in het toenmalige Occitanië, het uiterste zuiden van Frankrijk. De katharen zetten zich af tegen de rooms-katholieke kerk, die haar geestelijke taak steeds meer verzaakte in haar streven naar macht en rijkdom. Ook invloedrijke katholieke edelen als de koning van Aragón, de graaf van Toulouse en de burggraaf van Carcassonne raakten bij het conflict betrokken. Niet alleen weigerden zij de katharen in hun gebieden te vervolgen, maar deze werden ook openlijk door hen beschermd. Waar het geloof een tweedeling had kunnen veroorzaken, was de gemeenschappelijke strijd tegen de invasie uit het noorden een sterk bindende factor.

De Occitaanse heren onderkenden te laat, dat de religieuze campagne van de paus overging in een veroveringsoorlog onder leiding van de koning van Frankrijk, hun opperleenheer. De annexatie van het zuiden begon met de inname van Béziers in 1209 en werd voltooid in 1271, toen het graafschap Toulouse verviel aan de Franse kroon, de grote winnaar van de strijd. Occitanië verloor haar zelfstandigheid, eigen cultuur en leidende positie in het Middellandse Zeegebied.

De wapens: kruistocht en inquisitie

Paus Innocentius III zag het katharisme als zo'n grote bedreiging voor de katholieke kerk, dat hij opriep tot een kruistocht om de snel groeiende religie uit te bannen. Waar kruistochten oorspronkelijk tot doel hadden Jeruzalem in het Heilige Land te heroveren op de 'ongelovigen', was de Albigenzer Kruistocht gericht tegen christenen in Europa. De paus rechtvaardigde het inzetten van deze zware maatregel met de uitspraak dat de katharen "erger waren dan de Saracenen." Innocentius legde de verantwoordelijkheid voor de kruistocht in handen van zijn legaat Arnaud Amaury, abt van het klooster van Cîteaux, en benoemde Simon de Montfort, een edelman uit het Île de France, tot opperbevelhebber van het kruisleger. De Montfort had zich tijdens de Vierde Kruistocht onderscheiden door zijn weigering deel te nemen aan de belegering en plundering van christelijke steden zoals Constantinopel. Dergelijke scrupules zou hij in de Languedoc niet hebben. Hij liet zich door niets en niemand tegenhouden tijdens zijn veroveringstocht, legde oproepen van de paus om de kruistocht te beëindigen naast zich neer en werd zelfs geëxcommuniceerd door de aartsbisschop van Narbonne toen hij met deze in conflict kwam over de heerschappij over de stad.

De kruistocht had niet het gewenste effect, integendeel. Toen graaf Raymond VII van Toulouse in 1229 het verdrag sloot waarmee er een einde kwam aan de strijd, was het katharisme zo gegroeid dat er zelfs een vijfde bisdom werd gesticht. De kerk werd ook van binnenuit bedreigd, veel katholieken veroordeelden het wrede optreden van de kruisridders en de confiscatie van bezittingen van vrome geloofsgenoten. Deze hadden niets anders misdaan dan mensen die in hun ogen een voorbeeldig leven leidden en waarmee zij waren opgegroeid - vaak familieleden - te beschermen. Onder de geestelijkheid waren niet alleen priesters te vinden die weigerden op te treden tegen de ketters, velen waren zelf kathaar. Rome zette daarom in 1233 een nieuw wapen in, de pauselijke inquisitie. De gehele bevolking stond onder verdenking van ketterij, alle vrouwen ouder dan 12 en alle mannen ouder dan 14 jaar werden ondervraagd door religieuze rechtbanken, die speciaal hiervoor in het leven waren geroepen. Om te worden vervolgd en veroordeeld was het al voldoende om een mening uit te spreken die afweek van het door de Roomse kerk vastgestelde geloof. Angst voor verraad en onderling wantrouwen ontwrichtten de samenleving. Edelen die de katharen hadden beschermd, werden in de ban gedaan en hun verbeurdverklaarde bezittingen kwamen in handen van Noord-Franse edelen. Op deze wijze slaagde de kerk erin haar religieuze en politieke invloed terug te winnen, zij het tegen een onvoorstelbaar hoge prijs. Niet voor niets heeft paus Johannes Paulus II, toen hij ter gelegenheid van het Jubeljaar 2000 openlijk vergiffenis vroeg voor de fouten en zonden die de kerk in de loop van haar geschiedenis heeft begaan, expliciet ook de kruistocht tegen de katharen genoemd.

Wat als ...

Men kan zich afvragen wat de loop van de geschiedenis zou zijn geweest als Raymond VI van Toulouse zich anders had opgesteld: als hij de katharen niet alleen had gedoogd en beschermd, maar met een eensgezinde Occitaanse adel de confrontatie met het kruisleger was aangegaan. Mogelijk zou het katharisme een erkende godsdienst zijn geworden, was de Occitaanse cultuur niet verdwenen en had de Franse kroon haar gebied niet tot aan de Pyreneeën kunnen uitbreiden.